De Groene Rekenkamer

“7 Jaar terugverdientijd” – de groene belofte van minister Wiebes voor zonnepanelen.

Wat is terugverdientijd eigenlijk? 

Stel u investeert 1000 euro en na tien jaar ontvangt u uw 1000 euro terug. Hoera, u heeft uw investering terugverdiend in 10 jaar.  Wel wat lang die tien jaar, maar we hebben elke cent van de inleg terug. Maar is dat zo?  Stel dat er 2,0 % inflatie per jaar is. Dat betekent dat u met hetzelfde bedrag aan geld elk volgend jaar 2,0 % minder inkopen kunt doen; na 10 jaar is de koopkracht zelfs gezakt tot 82% van het oorspronkelijke bedrag (nb. bij 1,5% inflatie is dat 86%).  U had in dit geval geen 1000 euro, maar 1220 euro terug moeten krijgen om in termen van koopkracht uw inleg gecompenseerd te krijgen (nb. bij 1,5% inflatie is dat 1160 euro).  Het behoeft geen betoog dat het meer tijd neemt om een hoger bedrag uit het project terug te verdienen. We leren hiervan dat terugverdientijd rekening moet houden met inflatie (koopkrachtdaling van de euro) om een zinvol gegeven te zijn.   Helaas wordt bij allerlei terugverdientijdbeloften helemaal geen rekening gehouden met inflatie.

Hoe zit dat met zonnepanelen?  Stel u neemt deel in een zonnepanelen project en investeert 1000 euro en u krijgt elk jaar 100 euro uit de opbrengst van stroomproductie en een subsidie. U zult dan waarschijnlijk van de verkoper van de panelen horen dat uw investering een terugverdientijd heeft van 10 jaar. In het grafiekje hieronder ziet u dat aangegeven door de blauwe lijn. In jaar nul is de nog terug te verdienen bedrag gelijk aan de inleg (uiteraard). Naarmate u terugverdient, daalt de blauwe lijn en in jaar tien is het bedrag terugverdiend (snijpunt met de horizontale as).  Als we inflatie meenemen, moet het bedrag van 100 euro elk jaar voor het verlies van de koopkracht worden verminderd.  We krijgen nu de oranje lijn die minder daalt dan de blauwe lijn en dus de horizontale as op een later tijdstip snijdt, nl. na ongeveer 11,3 jaar. Dus het duurt 11,3 jaar voordat we met de terugverdiende bedragen hetzelfde kunnen kopen als voor oorspronkelijke bedrag van de inleg.  We concluderen dat door inflatie de terugverdientijd in termen van koopkracht toeneemt.  

Máár, …  u heeft economisch gezien meer compensatie nodig dan de opgeofferde koopkracht: als u de 1000 euro belegd had dan had u rente of een beleggingsrendement gekregen. Deze gemiste inkomsten moeten ook terugverdiend worden. We nemen voor dit voorbeeld aan dat u een rendement van 3 % had kunnen realiseren. Het resultaat zien we in de grijze lijn.  We zien nu dat het ca 14,4 jaar duurt voordat u gecompenseerd bent voor uw bereidheid om op tijdstip nul voor een bedrag van 1000 euro aan koopkracht en investeringsmogelijkheid op te offeren. Ook deze factor wordt niet meegenomen in aanbevelingen om in zonnepanelen te investeren. Het is ook een lastige factor omdat het haalbare rendement voor iedereen anders is. Bij bedrijfsinvesteringen wordt daarom vaak een branch-specifiek rendement genomen.  Maar de beslissing om in zonnepanelen te investeren is individueel.

De illusie van een lening voor zonnepanelen.   Stel dat u in bovengenoemd voorbeeld de helft van de aankoop van de panelen uit een lening haalt.  Dus van de investering van 1000 euro, behoeft u nog maar 500 euro bij aanvang in te leggen.  Leningen zijn tegenwoordig goedkoop, met name voor duurzame doeleinden. Natuurlijk betaalt u rente en aflossing, die de jaarlijkse opbrengst iets verkleinen. We nemen voor de rente 1,5% per jaar en voor de looptijd 15 jaar. We nemen ook aan dat de lening een annuïteiten lening is, dat wil zeggen dat het bedrag van rente + aflossing elk jaar hetzelfde is (zoals in geval van hypotheken vaak het geval is).  Onze grafiek gaat er nu als volgt uitzien.

De lijnen beginnen in jaar nul bij het bedrag van de inleg van  500 euro. We zien nu dat de terugverdientijden voor onze drie gevallen aanmerkelijk korter zijn geworden. In het geval van de nominale berekening (blauwe lijn) is dat 7,9 jaar geworden –  aardig in de buurt van de 7-jaar-belofte van minister Wiebes.  Dit lijkt dus de truc:  neem een lening met lage rente en verkort de terugverdientijd. 

Wat is dan de genoemde illusie:   we hadden een lening over een periode van 15 jaar.  Nadat de terugverdientijd gehaald is in jaar 7,9 (in het geval van de blauwe lijn), blijft er over de jaren 9 t/m 15  nog totaal 295 euro aan aflossing en rente te betalen.  Natuurlijk levert het project nog steeds 100 euro per jaar op in dit voorbeeld, en heeft u met dit bedrag de 295 euro terugverdiend in de jaren 8,9 en 10, in feite in een kleine 3 jaar.  Als we die optellen bij de terugverdientijden die we in de tweede grafiek zien, komen we ongeveer één jaar hoger uit dan de terugverdientijden in de eerste grafiek – dat wordt veroorzaakt door de rentelast die u accepteert door een lening te nemen.  Kennelijk schieten we niets op met de lening.

Minister Wiebes bepaalt zich op uitkomsten van berekeningen van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). In de berekeningen van het planbureau vinden we categorisch de aanname dat projecten voor 50% zijn gefinancierd.  Uit onze beschouwing hierboven wordt duidelijk waar de beloofde  7 jaar terugverdientijd (volgens de gangbare definitie) vandaan komt.    

Wat dan:   als u toch de behoefte heeft om op een eenvoudige manier een  gevoel te krijgen  over de verdienste van een project,  kijk dan wat de “ twee- keer-terugverdientijd”  is, in het geval zonder financiering.    In ons boven becijferde voorbeeld blijkt de “twee-keer-terugverdientijd”  20 jaar te zijn, ongeveer de levensduur die je kan verwachten van zonnepanelen.

Waar gaat het eigenlijk over:

Het gaat erover dat u als burger zelf groene stroom opwekt bij voorkeur zoveel als u verbruikt. Als u een goed rendement kan maken met beleggingen heeft het geen zin om op financiële gronden zonnepanelen te installeren. Maar als u wel zonnepanelen installeert (of deelneemt in een zonne-energie opwekproject) dan wilt u wel graag weten wat het financiële plaatje is.   Wat u terugverdient met zonnepanelen wordt door de kale stroomprijs bepaald voor het deel van de terug-levering en de volle variabele stroomprijs voor wat u zelf vóór de meter gebruikt. Omdat de stroomprijs door overvloedig beschikbare fossiele brandstoffen laag wordt gehouden, moeten (kleinere) projecten met subsidie of belastingvrijstelling draaien om concurrerend te kunnen zijn met fossiele brandstoffen.   Denk er bij uw overwegingen aan dat subsidiegelden en belastingvrijstellingen via de belastingheffing uit uw eigen portemonnee komen. De enige manier om zonnepanelen economisch rendabel, d.w.z. onafhankelijk van subsidie, te maken is door verhoging van de prijs van fossiele brandstoffen (bijvoorbeeld door een CO2 belasting).   Hoe de prijs van energie zal verlopen, in aanmerking genomen het overvloedige aanbod van aardgas uit Noorwegen en Rusland, is een vraag die ons in komende jaren zal bezighouden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *